6 maart 2024

BRL 5024: wat de richtlijn wel en niet regelt

BRL 5024 is de beoordelingsrichtlijn voor het KOMO-procescertificaat voor bouwkundige vooropnamen, vastgesteld op 3 oktober 2013. Veertien bedrijven in Nederland hebben het certificaat. Wat staat erin, en net zo belangrijk, wat staat er niet in?

BRL 5024 is de nationale beoordelingsrichtlijn voor het KOMO-procescertificaat voor het uitvoeren van bouwkundige vooropnamen. De richtlijn is van 3 oktober 2013, wordt beheerd door SKG-IKOB Certificatie en kent geen wijzigingsblad. Veertien bedrijven in Nederland hebben het certificaat. Hieronder staat wat de richtlijn precies voorschrijft, en net zo belangrijk: wat er niet in staat.

Wat is BRL 5024?

BRL 5024 regelt het proces van een opname van objecten, dus gebouwen, kunstwerken en verhardingen, voorafgaand aan, tijdens of na bouwactiviteiten. Het doel is het vastleggen van visueel waarneembare gebreken, zodat later kan worden bepaald wat er veranderd is.

Het is een procescertificaat, geen productcertificaat. Het zegt dus iets over de manier waarop een bureau werkt en niet over een geleverd product. KOMO omschrijft een procescertificaat als een kwaliteitsverklaring over een realisatieproces in de bouw- en infrasector, waarbij certificeerders ook projecten bezoeken om te controleren of de werkwijze wordt nageleefd.

Er zit een voorwaarde aan die vaak wordt vergeten. Het certificaat geldt alleen als in het contract met de opdrachtgever staat dat de werkzaamheden conform dat procescertificaat worden uitgevoerd. Staat dat er niet in, dan hangt het certificaat aan de muur zonder dat het op jouw project van toepassing is.

Wat er volgens BRL 5024 standaard wordt opgenomen

De richtlijn gaat uit van het volledige exterieur en alle ruimten van het interieur. Concreet vallen hieronder de woonruimten aan de binnenzijde, dus woonkamer, keuken, badkamer, toilet en hal. Verder de schuur en de garage als die een geheel vormen met het hoofdgebouw, steenachtige onderdelen, toegankelijke werkkasten, wanden, vloeren en plafonds, kelders, toegankelijke machineruimten en de algemene ruimten van flats en appartementencomplexen.

Aan de buitenkant gaat het om alle aanzichten en gevels, bijgebouwen zoals schuren en buitenbergingen bij een eengezinswoning, erfscheidingen en tuinmuren van steenachtig materiaal, en verhardingen.

En wat er standaard buiten de opname blijft

Dit is het deel waar in de praktijk de meeste discussie over ontstaat, omdat bewoners er zelden van uitgaan. Standaard blijven buiten de opname: kruipruimten, houten en stalen onderdelen, zoldervlieringen die niet met een vaste trap bereikbaar zijn, inbouwkasten, ruimten boven verlaagde plafonds en onder verhoogde vloeren, en alle overige ruimten zonder vaste trap.

Ook buiten beeld blijven ruimten die een risico vormen, tuinen en beplanting, erfscheidingen en tuinmuren die niet van steenachtig materiaal zijn, en afgesloten ruimten zoals een meterkast waar niemand bij kan. Ladders en steigers worden niet gebruikt, tenzij dat contractueel is afgesproken.

Dat lijkt beperkend, maar het is juist de kracht van de richtlijn. Iedereen weet vooraf waar de opname ophoudt, en daarmee ook waar een latere claim over een kruipruimte op strandt.

BRL 5024 schrijft geen opnamegebied voor

Dit is het hardnekkigste misverstand rond de richtlijn. Veel mensen denken dat BRL 5024 voorschrijft hoe ver rond een bouwput je panden moet opnemen. Dat doet hij niet. De woorden belending, invloedsgebied en risicogebied komen in de hele richtlijn niet voor.

BRL 5024 regelt hoe diep je één object opneemt, niet welke objecten je opneemt. Dat laatste bepaalt de opdracht. De richtlijn zegt daar zelf over dat de genoemde uitgangspunten gelden “indien de offerte of overeenkomst geen specifieke melding maakt” van de op te nemen ruimten. De opdracht gaat dus voor, en de richtlijn is de terugvaloptie.

Ook CUR-richtlijn 223 over het meten en monitoren van bouwputten geeft geen vuistregel in meters of in maal de ontgravingsdiepte. Wie een getal noemt, baseert dat op ervaring en op de omstandigheden van het project, niet op een norm.

In de praktijk stellen wij daarom per project een risicocontour vast. Dat is het gebied waarbinnen het werk schade of hinder kan veroorzaken, bepaald aan de hand van de aard van de werkzaamheden, de bodemopbouw en de staat van de omliggende bebouwing. Een heiwerk in veen naast negentiende-eeuwse panden levert een andere contour op dan een ontgraving in zand naast nieuwbouw. Die contour leggen we vast in de offerte, en daarmee wordt hij onderdeel van de opdracht.

De eisen die je op papier niet terugziet

Twee eisen uit BRL 5024 worden zelden genoemd terwijl ze er voor een opdrachtgever het meest toe doen.

De eerste is de verzekering. Een gecertificeerd bureau moet een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering hebben van minimaal een miljoen euro per aanspraak en twee miljoen euro per verzekeringsjaar, plus een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die ten minste is gebaseerd op de aansprakelijkheidsbepalingen uit de DNR 2011.

De tweede is de bewaartermijn. Rapportages moeten minimaal zeven jaar worden gearchiveerd. Dat klinkt administratief, maar het is precies de reden dat een opname waarde houdt. Een scheur waarover vijf jaar na oplevering discussie ontstaat, valt dan nog steeds te herleiden tot wat er voor de bouw op de foto stond.

Wijkt een project op verzoek van de opdrachtgever af van de richtlijn, dan moet dat expliciet en gemotiveerd in de offerte en de overeenkomst staan. Afwijken mag dus, stilzwijgend afwijken niet.

BRL 5024 naast de richtlijn van het NIVRE

Er bestaat een tweede kader voor de bouwkundige opname dat veel minder bekend is. Het NIVRE heeft een eigen Richtlijn Bouwkundige opname, met eigen uitgangspunten over wat er wordt vastgelegd en welke kwaliteit het beeldmateriaal moet hebben.

Het opvallende is dat de twee kaders elkaar nergens noemen. BRL 5024 verwijst niet naar het NIVRE en de NIVRE-richtlijn verwijst niet naar BRL 5024. Ze komen inhoudelijk dicht bij elkaar, bijvoorbeeld in het uitgangspunt dat het volledige exterieur en alle ruimten van het interieur worden opgenomen en dat ruimten zonder vaste trap afvallen, maar ze zijn los van elkaar ontstaan.

Voor een opdrachtgever betekent dat iets simpels. Vraag niet alleen of een bureau gecertificeerd is, maar waarvoor. Het NIVRE kent daarnaast een aparte branche Monitoring Bouw en Infra voor experts die bouwkundige opnamen uitvoeren en daarnaast meten aan trillingen, deformatie en scheurvorming.

Is BRL 5024 verplicht?

Nee, niet wettelijk. Certificering volgens BRL 5024 is vrijwillige kwaliteitsborging. De verplichting ontstaat in het contract of het bestek, niet in de wet. In aanbestedingen zie je de eis wel steeds vaker terugkomen, vooral bij werk met verhoogd omgevingsrisico zoals heien in bestaande bebouwing, grondwateronttrekking, dijkversterking en projecten met een lange doorlooptijd.

KOMO verwacht zelf dat het belang van procescertificaten verder toeneemt nu de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen van kracht is. De richting is dus duidelijk, ook al staat er geen wettelijke plicht.

Wie is gecertificeerd voor BRL 5024?

Dat is openbaar te controleren. In het KOMO-register staan veertien bedrijven met een geldig BRL 5024-procescertificaat. Voor BRL 5023, de richtlijn voor het meten van trillingen, staan er achttien in het register.

Leg je die twee lijsten naast elkaar, dan blijven er elf bedrijven over die beide procescertificaten hebben. Quattro Expertise Noord B.V. in Zwolle is daar één van. Daarnaast is Quattro Expertise B.V. aangesloten bij het NIVRE.

Waarom dat uitmaakt: de opname en de trillingsmeting zijn twee verschillende richtlijnen met twee verschillende certificaten. Liggen ze bij één partij, dan komt de vraag of een scheur door jouw werk komt niet tussen twee bureaus in te hangen.

Wil je weten wat dat voor jouw project betekent? Bekijk wat een bouwkundige opname inhoudt, of lees hoe wij trillingen meten volgens BRL 5023.

Vragen over de BRL 5024?

Stel ze aan Mathijs!